Picture on Kasper Roszbach

Concurrentie en financieel toezicht 

Politici delegeren toezicht en regulering al decennialang aan gedepolitiseerde, gespecialiseerde ambtelijke organisaties. Als wetten en verordeningen een duidelijk gespecificeerd mandaat bevatten, kunnen we zo ongewenste, inefficiënte, politieke interventie voorkomen zonder tegelijk een coördinatieprobleem te creëren. De werkelijkheid ziet er echter wel eens anders uit. 
In 1999 verhuisde ik van de Nederlandsche Bank naar de NMa, en in 2002 ben ik weer van zijde gewisseld en werk ik bij de centrale bank van Zweden. Zo heb ik me er vanuit wisselende invalshoeken soms over kunnen verbazen hoe moeilijk het kan zijn voor toezichthouders om een evenwicht te vinden tussen de uitvoering van “onafhankelijke” taken en de coördinatie van “overlappende” taken,  waarbij het gedrag van de ene toezichthouder de keuzemogelijkheden en uitkomsten voor een ander beïnvloedt.
Enkele jaren geleden, bijvoorbeeld, wilde de Riksbank het transport van contanten verzelfstandigen. De Riksbank splitste daarom alle geldtransporten af in een aparte BV en bereidde de verkoop aan private partijen voor. Naast Pengar i Sverige AB (PSAB, Geld in Zweden BV) was de grootste marktpartij Securitas, terwijl een aantal andere spelers cirka 35% van de markt bedienden. Met uitzondering van Securitas meldden zich echter geen kopers. Daarom werd een verkoop aan Securitas opgezet, waarbij de Riksbank aanvoerde dat PSAB een ´failing firm´ was. Als voormalig NMa-er wekte het weinig verbazing dat Konkurrensverket een 2e-fase onderzoek aankondigde. Een door Securitas ingebrachte clausele in het verkoopcontract leidde toen tot annulering van de transactie. De Riksbank werd hierdoor “gedwongen” tot een “geordende afwikkeling” van PSAB. Securitas nam na het verdwijnen van PSAB het leeuwendeel van de weggevallen geldtransporten over.
Een dergelijke situatie, waarin twee overheidsinstanties met dezelfde opdrachtgever , niet in staat zijn om adequaat hun gedrag te coördineren, illustreert voor welke uitdagingen de overheid staat bij het creëren van een efficiënte toezichtsstructuur.
Recent maakte ik als (tijdelijk) adviseur bij het Zweedse Ministerie van Financiën iets vergelijkbaars mee in de relatie tussen nationale overheden en de Europese Commissie. Nationale overheden trachten enorme schokken in het financiële stelsel op te vangen, mede door middel van kapitaalinjecties in banken. Daarbij lijkt de een meer oog te hebben voor het risico van langdurige concurrentieverstoring dan de ander. De Europese Commissie op haar beurt lijkt er moeite mee te hebben om, in een crisissituatie, een adequate afweging te maken tussen het belang van functionerende financiële markten enerzijds en het voorkomen van concurrentieverstorende overheidsinterventie.
Wetten worden natuurlijk zelden geschreven met het oog op crissituaties. Daarom is een buitengewoon vermogen vereist van toezichthouders om terug te kunnen gaan naar de oorspronkelijke intenties van hun opdrachtgever. Als verschillende takken van de overheid niet in staat zouden blijken te zijn om de effecten van hun gedrag te plaatsen in een bredere economische context, welke implicaties heeft dit dan voor de effectiviteit, en daarmee wenselijkheid, van overheidsregulering? Juist nu de roep om meer toezicht en regulering groter is dan ooit!
Kasper Roszbach
April 2009